Mijn leven begon langzaam, in een stad van trage geesten
Onze dagdromen vulde de ruimte in onze simpele drama
En mijn moeder was vreemd, maar ze hield ervan om te naaien
En al mijn kleren roken naar de kamer waar ik in was geboren
Mijn vader was kalm, gebruikte nooit twee woorden als één genoeg was
En mijn broer's handen waren altijd op kattekwaad uit
Zonder dat iemand hem kon stoppen
En in het geheel leefde we simpelweg van dag tot dag
Onze angsten waren onbelangrijk, ze verdwenen met elke zonsondergang
Toen ik twaalf was kwam mijn aandoening aan het licht
En ik werd verteld dat sommige dingen die ik hoorde
Alleen in mijn hoofd zaten
Maar ik kon niet uitmaken welke echt waren en welke niet
En bij alles wat ik deed vroeg ik me af of ik het kon vertrouwen
En naarmate de tijd vorderde, denk ik dat het gewoon teveel werd
En ik werd weggestuurd in mijn moeder's opdracht
Omdat ze bang voor me was geworden
Nu leef ik in het noorden, in een huis vol met gebroken hoofden
En mijn vader komt me bezoeken, zo vaak als hij kan
Soms, als de stemmen 's nachts kalmeren
Vind ik de hoop dat ik gemist wordt, en dat ze me niet zijn vergeten