Ik volg het paard, in het woud.
Bloedend, doorweekt met eigen bloed.
De voeten voelen almaar zwaarder aan.
Een kloppende pijn in de dij.
De broek voelt aan als gips
rond het been waar het bloed is gestold.
Ik val, maar richt me opnieuw op.
wankelend, struikelend, strompelend, vallend.
Mijn jacht nadert zijn einde, in het natte mos
aan de eenzame oever van het maanmeer.
De eenzame oever van het maanmeer.
De eenzame oever van het maanmeer.
Waarom moet ik het lot steeds opnieuw op de proef stellen?
Waarom moet ik de pijn vergeten wanneer de wonde heelt?
Waarom moet ik wennen aan een verwoest lichaam?
Waarom moet ik vergeten waar ik het laatste viel?
Waarom moet ik vergeten? Waarom moet ik vergeten?
Waarom moet ik de oude pijn opnieuw voelen (en opnieuw en opnieuw …)?
Eens, deze keer, lukt het niet zich opnieuw op te richten.
Ik blijf daar, in het natte mos, alleen en stervend.
Het lukt niet zich opnieuw op te richten, en ik wil het ook niet.
De maan spiegelt zich in het wateroppervlak en schijnt op mij
De maan schijnt op mij.
De maan schijnt op mij.
Het licht wordt sterker.
De maangodin komt naar mij.
Ik bevries niet meer.
Ik word verwarmd door het maanlicht.
Waarom moet ik het lot steeds opnieuw op de proef stellen?
Waarom moet ik de pijn vergeten wanneer de wonde heelt?
Waarom moet ik wennen aan een verwoest lichaam?
Waarom moet ik vergeten waar ik het laatste viel?
Waarom moet ik vergeten? Waarom moet ik vergeten?
Waarom moet ik de oude pijn opnieuw voelen?
Ik bevries niet meer.
Ik word verwarmd door het maanlicht.
Ik bevries niet meer.
Ik word verwarmd door het maanlicht.